| Waarom rauw? |
|
Honden, katten en fretten zijn zogeheten ‘carnivoren’. Het woord ‘carnivoor’ is afgeleid van het latijnse ‘carne’ (vlees) en ‘vorare’ (verscheuren): ‘vleesverscheurders’ dus. (Dit is wel een klein beetje een misleidende term, want het gaat eigenlijk niet om alleen het vlees… Ook de botten, de organen en zelfs de vacht van de dieren die opgegeten worden zijn belangrijk). De drie opvallendste kenmerken die een dier tot carnivoor maken zijn:
Het gedrag
Playtime!
Het maagdarmstelsel Honden, katten en fretten beschikken niet over een pens. Daarnaast is de blinde darm van honden en katten heel klein, en een fret moet het al helemààl zonder doen. Bijgevolg kunnen die ‘plantenverterende bacteriën’ niet gedijen in het maagdarmstelsel van deze dieren. Maar dat is ook niet nodig want het hoofdbestanddeel van vlees (spieren) is eiwit. Het verteringsproces van carnivoren is dan ook in de eerste plaats een eiwitvertering: hun maag produceert een sterk zuur (maagzuur = zoutzuur = HCl) en dat zuur gaat op zijn beurt een enzym activeren dat het eiwit als het ware in kleine stukjes knipt. Verderop, in de dunne darm, worden die stukjes nog verder verknipt tot ze klein genoeg zijn om opgenomen te worden door de wand van de darm, in het bloed. De darmen van carnivoren zijn ook veel korter, gezien de vertering bij vleeseters op deze manier veel meer ‘recht door zee’ is (zonder dat het voedsel eerst nog allerhande complexe omzettingen moet ondergaan door bacteriën). Het gevolg van dit alles is uiteraard dat hond, kat en fret nog weinig kunnen beginnen met plantaardig materiaal. Ook de verdere verwerking van de opgenomen voedingsstoffen (onder meer in de lever) is verschillend bij carnivoren. Honden lijken hierin nog iets flexibeler te zijn en waarschijnlijk hebben ze dit te danken aan het feit dat hun voorvaders, de wolven altijd al wat minder ‘kieskeurig’ geweest zijn. Dit vinden we eveneens terug in het feit dat honden door de eeuwen heen ook maar al te vaak afval en voedselresten van de mens verorberden. Katten en fretten daarentegen zijn in de loop der evolutie zodanig aangepast aan het -uitsluitend- eten van hele prooidieren dat bvb. bepaalde koolhydraatverwerkende enzymen die ‘standaard’ aanwezig zijn bij andere dieren, niet meer aanwezig zijn bij kat en fret. Het had immers geen nut om energie en bouwstoffen te steken in de aanmaak van deze enzymen, ze waren toch compleet overbodig. Katten en fretten zijn dan ook om andere reden gedomesticeerd geworden dan honden, namelijk om muizen te vangen en weg te houden bij de graanvoorraden en, in het geval van fretten, ook om er mee te jagen op o.a. konijnen
|
Waarom rauw?

ke van een plat maalvlak zoals bij de kiezen van planteneters). Dit is iets meer uitgesproken bij katten en fretten dan dat het bij honden is. 