Prooien voeren in de praktijk

Prooigrootte

De grootte van een prooidier is een belangrijk onderdeel van de voeding van een reptiel. Daarbij wordt soms vooral gekeken naar de vraag of een dier een bepaalde prooi kan doorslikken. Dat is echter niet hetzelfde als de vraag of die prooi ook een geschikte maaltijd is.

Een te grote prooi kan ervoor zorgen dat er in één keer veel energie en voedingsstoffen worden aangeboden, waarna een lange periode zonder voedsel volgt. Bij het bepalen van een geschikte prooigrootte moeten daarom zowel de hoeveelheid voedsel als de voerfrequentie worden bekeken.

Dit is goed te illustreren aan de hand van een koningspython van 2 kilogram. Wanneer we voor dit dier uitgaan van een energiebehoefte van ongeveer 725 kilocalorieën gedurende zes weken, en van goed gevoede ratten die ongeveer 2.000 kilocalorieën per kilogram leveren, zou het dier in die zes weken ongeveer 360 gram rat nodig hebben om die hoeveelheid energie binnen te krijgen.

Wanneer we die hoeveelheid voedsel als één maaltijd zouden willen geven, zou dat neerkomen op een rat van ongeveer 360 gram. Een dergelijke rat is voor een koningspython van 2 kilogram fysiek geen haalbare prooi. De berekening laat daarmee juist zien dat je een energiebehoefte niet simpelweg kunt vertalen naar één grote maaltijd met daarna een lange periode zonder voedsel.

Wanneer dezelfde hoeveelheid voedsel over meerdere maaltijden wordt verdeeld, ontstaat een heel ander beeld. Vier prooidieren van ongeveer 90 gram leveren samen ongeveer dezelfde hoeveelheid energie. Dat zou neerkomen op gemiddeld één prooidier per tien à elf dagen. Bij vijf prooidieren van ongeveer 72 gram komt dat neer op gemiddeld één prooidier per acht à negen dagen.

Dit rekenvoorbeeld laat zien waarom prooigrootte en voerfrequentie niet los van elkaar kunnen worden bekeken. Een grotere prooi betekent niet automatisch dat een slang daarna een veel langere periode zonder voedsel moet of kan overbruggen. Er bestaat een praktische en lichamelijke grens aan de grootte van een maaltijd.

Te weinig voeren

In sommige gevallen krijgt een reptiel structureel te weinig voedsel. Dat kan gebeuren doordat de prooien te klein zijn, doordat de tussenpozen tussen de voerbeurten te lang zijn of door een combinatie van beide. Dit gebeurt niet altijd bewust. Soms wordt een voedingsschema jarenlang gevolgd omdat men ooit heeft geleerd dat een reptiel maar weinig voedsel nodig heeft, zonder rekening te houden met de grootte, leeftijd, groei of lichaamsconditie van het individuele dier.

Bij een volwassen dier kan langdurig te weinig voedsel leiden tot een te lage lichaamsconditie en verlies van lichaamsreserves. Bij jonge en groeiende reptielen is het probleem groter. Zij hebben niet alleen energie nodig om hun bestaande lichaam in stand te houden, maar ook voor groei en ontwikkeling. Wanneer gedurende langere tijd onvoldoende energie en voedingsstoffen beschikbaar zijn, kan de groei vertragen en kan een dier achterblijven in ontwikkeling.

Bij ernstige of langdurige ondervoeding kan daardoor een dier ontstaan dat duidelijk kleiner blijft dan normaal voor zijn leeftijd. Dat wordt in de praktijk soms aangeduid als dwerggroei, maar het is belangrijk om onderscheid te maken tussen een van nature kleine soort of individu en een dier waarvan de groei door onvoldoende voeding is achtergebleven.

Dit betekent dat een klein formaat niet automatisch bewijst dat een reptiel te weinig heeft gegeten. Omgekeerd moet een reptiel dat opvallend klein blijft voor zijn leeftijd of waarvan de groei stagneert, wel aanleiding geven om kritisch naar de voeding en de overige omstandigheden te kijken.

Vooral bij jonge dieren is het daarom niet verstandig om uitsluitend naar de grootte van één afzonderlijke prooi te kijken. Belangrijker is hoeveel voedsel het dier over een langere periode daadwerkelijk binnenkrijgt en of dat past bij de fase waarin het dier zich bevindt.

Niet te groot, maar ook niet te klein

Een geschikte prooigrootte bevindt zich daarmee tussen twee uitersten. Een prooi die te groot is, kan lichamelijk ongeschikt zijn en leiden tot een onpraktisch lange periode tussen maaltijden. Een prooi die structureel te klein is, kan er juist toe leiden dat het dier over langere tijd onvoldoende energie en voedingsstoffen binnenkrijgt.

Daarbij moeten we onderscheid maken tussen wat een slang maximaal kan doorslikken en wat een geschikte maaltijdgrootte is. Het feit dat een slang een relatief grote prooi kan verwerken, betekent niet dat een grotere prooi ook een betere voedingsstrategie oplevert. Maar het omgekeerde geldt eveneens: een kleine prooi is niet automatisch geschikt omdat de slang deze gemakkelijk kan eten.

De juiste prooigrootte en voerfrequentie moeten daarom altijd in samenhang worden bekeken. De soort, leeftijd, lichaamsgrootte, groeifase, lichaamsconditie, activiteit en omstandigheden waarin het dier wordt gehouden spelen daarbij allemaal een rol.

Het bovenstaande rekenvoorbeeld is geen voorschrift voor iedere koningspython. Het laat vooral zien dat een passende prooigrootte niet los kan worden gezien van de totale hoeveelheid voedsel en de tijd tussen de voerbeurten.

Bij andere slangensoorten kunnen de verhoudingen anders liggen. De natuurlijke voedingsstrategie, de lichaamsbouw en de manier waarop de soort in de natuur voedsel benut, moeten daarom per soort worden bekeken.

Variatie in prooien

Veel reptielen eten van nature verschillende soorten prooien. Dat betekent echter niet dat een dier op iedere plaats en in iedere periode ook daadwerkelijk al die prooien tot zijn beschikking heeft. De beschikbare voeding wordt mede bepaald door het leefgebied, het seizoen en de aanwezigheid van geschikte voedselbronnen.

Een reptiel kan daardoor in een bepaalde omgeving tijdelijk of zelfs langdurig voornamelijk van één voedselbron leven, terwijl de soort van nature een veel breder dieet heeft. Wat we bij een dier op een bepaalde locatie aantreffen, is daarom niet automatisch een volledige weergave van wat de soort biologisch kan en normaal gesproken benut.

Een mooi praktijkvoorbeeld zijn nijlvaranen (Varanus niloticus) die in de omgeving van een slachterij werden waargenomen. Volgens een ervaren varanenhouder, die deze situatie zelf had waargenomen, maakten de dieren daar vrijwel uitsluitend gebruik van slachtafval.

Hij vertelde daarbij dat hij zelden zoveel uitzonderlijk grote nijlvaranen bij elkaar had gezien.

Deze waarneming is interessant omdat nijlvaranen van nature een zeer breed dieet hebben. De aanwezigheid van een vrijwel onbeperkte voedselbron kan er echter toe leiden dat dieren op een bepaalde locatie langdurig voornamelijk van die ene bron gebruikmaken. Dat zegt daarmee niet dat slachtafval het natuurlijke of optimale dieet van de soort is. Het laat vooral zien hoe sterk het beschikbare voedselaanbod het daadwerkelijk waargenomen dieet kan beïnvloeden.

Ook bij andere grote hagedissen worden dergelijke situaties waargenomen. Zo is bekend dat groene leguanen in gebieden waar zij dicht bij menselijke bewoning leven, gebruik kunnen maken van voedselresten. Daaronder kunnen bijvoorbeeld visresten uit afval van restaurants vallen. Ook dit is een voorbeeld van opportunistisch voedselgebruik en niet van een voedingsbehoefte aan vis.

Voor de beoordeling van natuurlijke voedingsgegevens is dit onderscheid belangrijk. Wanneer we zien dat een reptiel ergens een bepaald voedingsmiddel eet, moeten we ons afvragen waarom dat voedsel daar beschikbaar is en welke alternatieven het dier onder andere omstandigheden heeft. Een voedselbron die in een bepaald leefgebied overvloedig aanwezig is, kan daardoor veel vaker worden aangetroffen dan je op basis van de volledige voedingsstrategie van de soort zou verwachten.

Voor de voeding in gevangenschap betekent dit dat het aanbieden van verschillende geschikte prooien bij soorten met een brede voedingsstrategie zinvol kan zijn. Het gaat daarbij niet om het kunstmatig afwisselen van voedsel bij iedere voerbeurt, maar om het benutten van verschillende voedingsmiddelen die bij de soort passen.

Verschillende prooidieren hebben verschillende voedingswaarden. Een muis, rat, vogel, vis of ander dier bestaat weliswaar uit vergelijkbare basisbestanddelen zoals spierweefsel, organen, bot en vet, maar de onderlinge verhoudingen verschillen. Ook de leeftijd en conditie van het prooidier hebben invloed op de samenstelling.

Door verschillende geschikte prooien aan te bieden, kan binnen een dieet gebruik worden gemaakt van die verschillen. Dat kan vooral relevant zijn bij soorten die van nature een breed scala aan prooien benutten. Bij dergelijke soorten kan variatie beter aansluiten bij de natuurlijke voedingsstrategie dan het jarenlang uitsluitend voeren van één type prooidier.

Variatie is echter geen doel op zichzelf. Een reptiel dat van nature sterk gespecialiseerd is in één bepaald type voedsel, hoeft niet kunstmatig een grote variatie aan prooien te krijgen. Ook hoeft een prooidier niet te worden vervangen door een ander dier alleen omdat dat meer variatie oplevert.

Daarbij is het belangrijk om onderscheid te maken tussen variatie en willekeur. Niet ieder dier dat een reptiel kan eten, hoeft daarom onderdeel van het dieet te zijn. Een geschikte prooi moet passen bij de soort en bij de voedingsstrategie van het dier. Ook moet rekening worden gehouden met de voedingswaarde en met de plaats die de prooi binnen het totale dieet inneemt.

Ook natuurlijke variatie hoeft niet één op één in gevangenschap te worden nagebootst. Het doel is niet om iedere maaltijd uit de natuur na te bouwen, maar om een voeding samen te stellen die past bij de voedingsstrategie en voedingsbehoeften van het reptiel.

Variatie is daarom vooral nuttig wanneer verschillende voedingsmiddelen ieder een passende plaats binnen het totale dieet hebben. Meer verschillende prooien betekent niet automatisch een betere voeding.

Levend, gedood of diepvries-ontdooid

Prooidieren kunnen op verschillende manieren aan een reptiel worden aangeboden. Ze kunnen vooraf worden gedood of als diepvriesprooi worden bewaard en vervolgens ontdooid. Voor veel reptielen die gewervelde prooien eten, zijn gedode en diepvries-ontdooide prooien een praktisch alternatief voor levende prooien.

Levende prooien

Levend voeren lijkt op het eerste gezicht het meest natuurlijk. In de natuur moet een reptiel zijn prooi immers zelf vangen. Dat betekent echter niet dat een levende prooi in gevangenschap automatisch beter of gezonder is. Een reptiel hoeft in gevangenschap niet iedere natuurlijke handeling uit te voeren om voedingskundig goed te worden gevoerd.

In Nederland is het niet toegestaan om gewervelde voederdieren als levende prooi aan een reptiel te voeren. De NVWA stelt dat het gebruik van levende voederdieren in strijd is met de regels voor dierenwelzijn, omdat het prooidier hierdoor onnodige pijn, spanning en lijden kan ondervinden. Ook is het niet toegestaan om prooidieren zelf te doden.

Een levende rat of muis kan zich tijdens het voeren verdedigen en het reptiel verwonden. Het voeren van een levende gewervelde prooi is daarom niet alleen wettelijk niet toegestaan, maar brengt ook onnodige risico's met zich mee.

Prooidier verkoopt daarom geen levende gewervelde prooidieren.

Diepvries-ontdooide prooidieren

Diepvries-ontdooide prooien hebben een aantal praktische voordelen. Ze kunnen langere tijd worden bewaard, waardoor de grootte van de prooi goed kan worden afgestemd op het reptiel en er niet speciaal op het moment van voeren een levend prooidier beschikbaar hoeft te zijn.

Het invriezen en vervolgens correct ontdooien van een prooidier betekent niet dat de voedingswaarde automatisch verdwijnt. Wel is een goede bewaring belangrijk. Prooien moeten op de juiste manier worden ingevroren en ontdooid en hygiënisch worden behandeld. Herhaaldelijk ontdooien en opnieuw invriezen moet worden voorkomen.

Niet ieder reptiel accepteert zonder meer een dode of ontdooide prooi. Sommige dieren reageren sterk op beweging of geur en moeten soms worden gewend aan een andere manier van voeren. De manier waarop een prooi wordt aangeboden kan daarom per individueel dier verschillen.

Er is dus geen reden om levend voeren automatisch als de meest natuurlijke of beste methode te beschouwen. De manier waarop een prooi wordt aangeboden staat los van de vraag of de prooi als voedingsmiddel geschikt is. Voor veel reptielen kan een correct bewaarde en goed ontdooide prooi een volwaardig en praktisch alternatief zijn voor een levende prooi.

Hele prooi of verschillende voedingsmiddelen?

Of een reptiel het beste voornamelijk complete prooien kan krijgen of juist verschillende voedingsmiddelen nodig heeft, hangt in belangrijke mate af van de voedingsstrategie van de soort.

Bij veel slangen die van nature voornamelijk hele gewervelde prooien eten, vormt de complete prooi het belangrijkste uitgangspunt. Een muis, rat, vogel of ander geschikt prooidier levert als geheel verschillende voedingsstoffen die elkaar aanvullen. Bij dergelijke soorten is er meestal geen reden of mogelijkheid om de voeding zelf op te splitsen in losse onderdelen.

Bij andere reptielen ligt dat anders. Vooral bij verschillende soorten hagedissen, waaronder varanen, kan het natuurlijke dieet uit een veel grotere verscheidenheid aan voedingsmiddelen bestaan. Hele prooien kunnen daarbij worden gecombineerd met bijvoorbeeld spiervlees, orgaanvlees, eieren, vis of andere dierlijke voedingsmiddelen. Niet ieder afzonderlijk voedingsmiddel hoeft dan dezelfde functie te vervullen als een complete prooi.

Daarbij is het belangrijk om niet te denken in termen van één voedingsmiddel dat alles moet leveren. Wanneer verschillende voedingsmiddelen samen het dieet vormen, gaat het om de samenstelling van het totale voedingspatroon. De verschillende voedingsmiddelen moeten elkaar daarbij wel zodanig aanvullen dat het geheel aansluit bij de behoeften van de soort.

De keuze tussen een complete prooi of verschillende voedingsmiddelen moet daarom niet worden gebaseerd op wat praktisch beschikbaar is, maar op wat past bij de natuurlijke voedingsstrategie en voedingsbehoeften van de soort.

Voor de voeding in gevangenschap betekent dit dat we eerst moeten bepalen hoe een soort van nature voedsel benut. Pas daarna kunnen we beoordelen welke voedingsmiddelen geschikt zijn en welke plaats ze binnen het totale dieet kunnen innemen.

De producten van Prooidier kunnen voor sommige reptielen een onderdeel van de voeding vormen. Welke plaats ze innemen, hangt af van de voedingsstrategie en voedingsbehoeften van de soort. Het assortiment is niet voor iedere reptielsoort volledig. In de artikelen per soort wordt dit verder toegelicht.

Lees ook: ‘Welke prooidieren zijn geschikt?’ voor de algemene uitgangspunten bij de keuze van voedsel.