Voedingswaarde van rauw, blik en brok

Rauwe voeding en brokken verschillen sterk in voedingswaarde. Honden, katten en fretten zijn vleeseters: hun spijsvertering is ingericht op het verteren van dierlijk eiwit en vet, en nauwelijks op koolhydraten. Brokken bevatten juist relatief veel koolhydraten en zijn daarmee minder afgestemd op wat deze dieren van nature verteren.

Op deze pagina lees je hoe de voedingswaarde van rauwe voeding zich verhoudt tot brokken, blik en KVV, hoe je dit zelf kunt narekenen voor het voer dat je nu geeft, en waarom het percentage op de verpakking niet het hele verhaal is.

Hoe verhoudt de voedingswaarde van een prooidier zich tot brokken?

Om het verschil concreet te maken, zet je de voedingswaarde van een heel prooidier naast die van brokken. Een compleet prooidier is geen vast gegeven: een konijn is mager en eiwitrijk, een rat bevat aanzienlijk meer vet. De bandbreedte hieronder loopt daarom van de magere naar de vettere prooi.

Voedingsstof Hele prooi Hondenbrok Kattenbrok
Eiwit 55 - 72% 22 - 40% 33 - 50%
Vet 15 - 40% 9 - 22% 9 - 25%
Koolhydraten 1 - 3% 30 - 58% 20 - 45%

Percentages op basis van droge stof. Het zijn richtwaarden over de volle breedte van de markt: de ondergrenzen komen bij de betere merken voor, de bovengrenzen bij zetmeelrijke, doorgaans goedkopere voeders. Bij de prooi zit konijn aan de magere, eiwitrijke kant en zitten rat en muis aan de vettere kant. Reken voor je eigen voer altijd met de waarden van de verpakking.

Geen enkele brok komt in de buurt van de prooi. Zelfs de magerste prooi bevat meer eiwit dan de eiwitrijkste kattenbrok, en waar een prooi op enkele procenten koolhydraten uitkomt, loopt dat bij hondenbrokken op tot bijna zestig procent. Kattenbrokken scoren van de twee het hoogst op eiwit, wat past bij het feit dat een kat een strikte carnivoor is en een hond niet. Voor fretten bestaat er in de praktijk geen geschikte brok; krijgt een fret toch droogvoer, dan komt een eiwitrijke kattenbrok het dichtst in de buurt.

Waarom kun je etiketwaarden niet direct met elkaar vergelijken?

Op elke verpakking staan de analytische bestanddelen: ruw eiwit, ruw vet, ruwe as, ruwe celstof en meestal het vochtgehalte. Die percentages gelden voor het product zoals het uit de verpakking komt, inclusief het water. Brokken bevatten ongeveer 10% vocht, blikvoer rond de 80% en KVV zo'n 70%. Een blik met 8% eiwit op het etiket lijkt daardoor mager naast een brok met 30%, terwijl het verschil grotendeels in het water zit.

Om een eerlijke vergelijking te maken reken je alles om naar droge stof: je haalt het water er rekenkundig uit. Dat gaat in twee stappen, en werkt hetzelfde voor brok, blik, KVV en een prooidier.

Hoe reken je dit om naar droge stof?

Eerst bepaal je het koolhydraatgehalte, want dat staat nooit op het etiket. Trek daarvoor eiwit, vet, as, ruwe celstof én vocht af van 100; wat overblijft zijn de koolhydraten. Daarna bereken je het droge-stofgehalte door het vochtpercentage van 100 af te trekken. Vervolgens deel je elk percentage door dat droge-stofgehalte en vermenigvuldig je met 100. De formule luidt dus: percentage gedeeld door droge stof, maal 100.

Hieronder is die berekening uitgewerkt voor drie voorbeeldproducten. De bovenste helft toont wat er op het etiket staat, de onderste helft het resultaat na omrekening.

  Brok Blik KVV
VAN HET ETIKET
Eiwit 30,0% 8,0% 15,0%
Vet 16,0% 5,0% 10,0%
Ruwe as 7,0% 2,0% 3,0%
Ruwe celstof 3,0% 0,5% 0,5%
Vocht 10,0% 80,0% 70,0%
ZELF BEREKENEN
Koolhydraten 34,0% 4,5% 1,5%
Droge stof 90,0% 20,0% 30,0%
RESULTAAT OP DROGE STOF
Eiwit 33,3% 40,0% 50,0%
Vet 17,8% 25,0% 33,3%
Koolhydraten 37,8% 22,5% 5,0%

De etiketwaarden hierboven zijn realistische voorbeelden, geen vaste getallen: ze verschillen per merk en per product. Reken daarom altijd met de waarden van je eigen verpakking.

Let op wat deze getallen wel en niet zeggen. Het etiket vermeldt ruw eiwit: de totale hoeveelheid, ongeacht of die uit vlees, uit graan of uit erwteneiwit komt. Een fabrikant hoeft dat niet uit te splitsen. Twee voeders met hetzelfde omgerekende eiwitpercentage kunnen dus heel verschillend uitpakken, afhankelijk van waar dat eiwit vandaan komt. Daarover gaat de paragraaf over biologische beschikbaarheid verderop.

Wat komt eruit als je alles naast elkaar zet?

Omgerekend naar droge stof wordt het beeld pas zuiver. De volgorde die dan ontstaat, loopt van de natuurlijke prooi naar het meest bewerkte product.

Op droge stof Eiwit Vet Koolhydr.
Hele prooi 55 - 72% 15 - 40% 1 - 3%
KVV 50,0% 33,3% 5,0%
Blik 40,0% 25,0% 22,5%
Brok 33,3% 17,8% 37,8%

KVV zit met deze waarden het dichtst bij de natuurlijke prooi: veel eiwit, veel vet, weinig koolhydraten. Blik neemt een tussenpositie in. De brok levert het minste eiwit en veruit de meeste koolhydraten. Het verschil dat op het etiket nog leek te gaan over een blik met "maar" 8% eiwit, blijkt na omrekening precies andersom te liggen.

Let op bij het aflezen: staat het vochtgehalte niet op de verpakking, reken dan met 10% bij droge brokken. Bij blik en KVV staat het vochtgehalte vrijwel altijd wel vermeld, en dat is bij deze producten ook essentieel om mee te rekenen. Vermeldt een etiket alleen "ruw eiwit" zonder vocht, dan is een zuivere vergelijking niet te maken.

Wat is biologische beschikbaarheid, en waarom telt dat net zo zwaar als het percentage?

De percentages hierboven, ook de omgerekende, zeggen iets over de hoeveelheid eiwit, vet en koolhydraten in het voer. Ze zeggen echter niets over hoeveel daarvan het lichaam daadwerkelijk kan gebruiken. Dat laatste heet de biologische beschikbaarheid, of biologische waarde: het deel van een voedingsstof dat wordt opgenomen en benut, in plaats van onverteerd weer uitgescheiden.

Deze maatstaf komt oorspronkelijk uit humaan voedingsonderzoek, waarbij heel ei als referentie een waarde van 100 kreeg. Andere dierlijke eiwitbronnen, zoals vlees, vis en zuivel, scoren doorgaans ook hoog, terwijl plantaardige eiwitbronnen zoals granen en peulvruchten lager scoren; soja is daarop een uitzondering en bevat, net als dierlijk eiwit, alle essentiële aminozuren. Bij honden, katten en fretten geldt hetzelfde principe: dierlijke eiwitten sluiten beter aan bij wat een vleeseter nodig heeft dan plantaardige eiwitten. Een voer kan daardoor op papier een hoog eiwitpercentage tonen, terwijl een aanzienlijk deel daarvan uit minder goed benutbare, plantaardige bronnen bestaat. Twee voedingen met hetzelfde eiwitpercentage op het etiket kunnen dus in de praktijk een heel verschillend effect hebben.

Wordt vlees intensief verhit of bewerkt, dan kan dat de structuur van eiwitten veranderen en de verteerbaarheid beïnvloeden. Dat betekent niet automatisch dat elk bewerkt voer slecht verteerbaar is: goed geformuleerd voer, met voldoende kwalitatieve eiwitbronnen, kan ook een hoge verteerbaarheid van essentiële aminozuren halen. De kwaliteit en samenstelling van de eiwitbronnen is dus minstens zo bepalend als de vraag of het voer rauw of bewerkt is. Bij verhitting speelt bovendien dat wateroplosbare stoffen deels wegspoelen in het kookvocht: runderlever bevat rauw ongeveer 250 mg taurine per kilo, gebakken nog zo'n 140 en gekookt nog maar 76. Ook binnen één dier is de verdeling ongelijk. Hard werkende spieren bevatten aanzienlijk meer taurine dan rustige: kippenborst zit rond 180 mg per kilo, kippendijvlees rond 1690, en hart is de rijkste bron. Een menu van uitsluitend mager spiervlees levert dus iets anders dan een compleet prooidier of een samenstelling waar hart in zit.

Wat zijn aminozuren, en waarom verschilt elke eiwitbron?

Eiwitten zijn geen op zichzelf staande bouwsteen, maar ketens die zijn opgebouwd uit aminozuren. Elke eiwitbron heeft zijn eigen samenstelling: het aantal aminozuren, de onderlinge verhouding en de volgorde in de keten verschillen per vleessoort, per orgaan en per plantaardige bron. Dat aminozuurprofiel bepaalt uiteindelijk wat het lichaam met dat eiwit kan doen.

Een deel van de aminozuren kan het lichaam zelf aanmaken uit andere bouwstoffen; die heten niet-essentieel. De rest moet uit de voeding komen. Voor honden zijn dat tien essentiële aminozuren: arginine, histidine, isoleucine, leucine, lysine, methionine, fenylalanine, threonine, tryptofaan en valine. Katten hebben er nog één bij nodig, taurine, waardoor het er voor hen elf zijn. Een hond kan taurine namelijk zelf aanmaken uit de zwavelhoudende aminozuren cysteïne en methionine; een kat kan dat niet of onvoldoende, en verliest bovendien voortdurend taurine via de gal. Voor katten is taurine daarom een absolute vereiste uit de voeding, en die zit vrijwel uitsluitend in dierlijk weefsel. Datzelfde geldt voor arginine: katten zijn daar uitzonderlijk gevoelig voor, en dat is de reden dat een kat nooit hondenvoer kan eten als vervanging. Fretten zijn net als katten strikte carnivoren en hebben om dezelfde reden een vergelijkbare afhankelijkheid van dierlijke eiwitbronnen.

Hier komt het principe dat de wet van het minimum wordt genoemd: het essentiële aminozuur dat in de kleinste hoeveelheid aanwezig is, bepaalt hoeveel het lichaam met het hele eiwit kan doen. Zit er in een eiwitbron ruim voldoende van negen aminozuren maar te weinig van het tiende, dan is de bruikbaarheid van dat eiwit begrensd door dat ene tekort. De rest wordt niet als bouwstof benut, maar afgebroken en uitgescheiden. Dit verklaart waarom plantaardige eiwitbronnen lager scoren: granen bevatten doorgaans weinig lysine, peulvruchten weinig methionine. Een fabrikant kan dat deels ondervangen door bronnen te combineren of losse aminozuren toe te voegen, maar dat is een andere route dan een prooi, waarin het profiel van nature al compleet is.

Er is nog een reden waarom een compleet prooidier gunstig uitpakt: verschillende weefsels leveren verschillende aminozuren. Spiervlees, orgaanvlees, bot, huid en bindweefsel hebben elk een eigen profiel, en samen vormen ze een geheel dat aansluit bij wat een carnivoor nodig heeft. Dat is ook de reden dat afwisselen tussen diersoorten wordt aangeraden bij een zelf samengesteld menu: rund, gevogelte, vis en wild leveren niet exact dezelfde aminozuren en spoorelementen, en variatie vult de gaten die één enkele bron laat vallen.

Geldt dit principe ook voor mineralen, zoals calcium?

Ja, en bij calcium speelt nog een extra factor mee. Rauw bot is de natuurlijke calciumbron voor een carnivoor en levert calcium samen met fosfor en magnesium, in de verhouding die van nature bij vlees en bot hoort. Bij een calciumsupplement ontbreekt die natuurlijke samenhang: je voegt calcium geïsoleerd toe, en de opneembaarheid verschilt bovendien per vorm. Calciumcitraat wordt over het algemeen beter opgenomen dan calciumcarbonaat, vooral bij dieren met een verminderde maagzuurproductie. Beendermeel, gemaakt van bot, is op zijn beurt weer iets minder goed verteerbaar dan rauw bot zelf. Bij elke vorm geldt bovendien dat voldoende vitamine D nodig is om de opgenomen calcium daadwerkelijk te kunnen benutten; zonder vitamine D blijft ook een hoge calciuminname minder effectief.

Ditzelfde principe, dat de vorm van een voedingsstof net zo belangrijk is als de hoeveelheid, geldt ook voor vitamines. Bij vitamine B12 bestaat een vergelijkbaar verschil tussen de synthetische vorm die in de meeste supplementen zit en de vormen die van nature in vlees voorkomen. Meer daarover lees je op de pagina over vitamine B12 bij honden.

Wat betekent dit verschil voor de gezondheid van je huisdier?

De drie verschillen die op deze pagina naar voren komen, koolhydraatgehalte, vochtgehalte en eiwitkwaliteit, worden elk in verband gebracht met andere gezondheidsklachten op de lange termijn.

Het koolhydraatgehalte is de eerste. Een spijsvertering die is ingericht op eiwit en vet krijgt met brokvoer dagelijks een substantieel aandeel zetmeel te verwerken. Dat wordt in verband gebracht met overgewicht en met een blijvend hogere belasting van de alvleesklier, wat bij katten in verband wordt gebracht met suikerziekte. Bij fretten geldt dat nog sterker, omdat zij als strikte carnivoor nauwelijks koolhydraatverwerkende enzymen hebben.

Het vochtgehalte is de tweede, en die is het meest concreet. Brokken bevatten ongeveer 10 procent vocht, verse voeding 60 tot 75 procent. Minder vocht in de voeding betekent minder urine, en in geconcentreerde urine slaan kristallen makkelijker neer. Dat speelt vooral bij katten, die van oorsprong woestijndieren zijn en een lage dorstprikkel hebben: krijgen ze droge brokken, dan gaan ze niet vanzelf extra drinken. Een chronisch vochttekort wordt in verband gebracht met blaasgruis en blaasstenen en met het verergeren van nierproblemen.

De derde is de vorm waarin het voer wordt aangeboden. Brokken worden vaak aangeprezen als goed voor het gebit, maar ze breken onder druk in plaats van dat ze langs de tand schuren, en het gebit van een carnivoor is gemaakt om vlees en bot te scheuren. Verhoogde koolhydraatinname in de mond draagt daarnaast bij aan tandplak. Meer hierover lees je op de pagina over tandproblemen.

Merk je bij je eigen dier klachten die hierbij passen, zoals vaak kleine plasjes, moeizaam plassen of bloed in de urine, dan is dat geen reden om zelf op voeding te gaan sturen. Vraag je dierenarts gericht om urineonderzoek waarmee kristaltype en zuurgraad bepaald kunnen worden, want de aanpak verschilt per steensoort. Een overzicht van alle klachten die met brok- en blikvoeding in verband worden gebracht, vind je op de pagina welke problemen brokken en blikvoeding kunnen veroorzaken.

Veelgestelde vragen

Waarom bevatten brokken zoveel koolhydraten?
Brokken hebben een bindmiddel nodig om hun vorm te behouden tijdens het productieproces, en zetmeel- en graanbronnen zijn daarvoor goedkoop en functioneel. Dat drijft het koolhydraatgehalte omhoog, ook al hebben honden, katten en fretten daar weinig behoefte aan.

Waarom lijkt blikvoer op het etiket zo weinig eiwit te bevatten?
Omdat blik voor ongeveer 80% uit water bestaat. Het eiwitpercentage op het etiket geldt inclusief dat water. Reken je het om naar droge stof, dan valt het eiwitgehalte doorgaans hoger uit dan bij brokken.

Kan ik elk merk op deze manier vergelijken?
Ja, zolang de verpakking het gehalte aan eiwit, vet, as, ruwe celstof en vocht vermeldt, kun je de berekening op elk product toepassen, of het nu brok, blik of KVV is.

Is dit verschil bij katten en fretten groter dan bij honden?
Over het algemeen wel. Katten en fretten zijn strikte vleeseters en hun spijsvertering mist bepaalde koolhydraatverwerkende enzymen. Honden zijn iets flexibeler in de vertering van koolhydraten, maar ook hun spijsvertering blijft primair afgestemd op dierlijk eiwit. Dat onderscheid is wezenlijk: een voer kan het eiwitgehalte grotendeels uit plantaardige bronnen halen, en dat is voor een carnivoor niet gelijkwaardig.

Betekent een hoger eiwitpercentage op de verpakking altijd een betere voeding?
Niet per se. Het percentage zegt iets over de hoeveelheid, niet over de kwaliteit of de biologische beschikbaarheid van dat eiwit. Een voer met een lager eiwitpercentage maar overwegend dierlijke, goed verteerbare eiwitbronnen kan in de praktijk meer opleveren dan een voer met een hoger percentage dat grotendeels uit minder goed benutbare bronnen bestaat.

Waarom wordt aangeraden om af te wisselen tussen vleessoorten?
Omdat elke eiwitbron een eigen aminozuurprofiel heeft, en ook in vetzuren en spoorelementen verschilt. Vis levert bijvoorbeeld andere vetzuren dan rood vlees, en rood vlees weer andere vitamines dan wit vlees. Door af te wisselen vul je de gaten die één enkele bron laat vallen.

Waar komen de koolhydraten in een prooidier of in KVV vandaan?
Uit twee bronnen. Dieren slaan glucose op als glycogeen, vooral in de lever, de spieren en de huid, en bij een heel prooidier telt daarnaast de maag- en darminhoud mee: een kweekrat eet graanvoer, en dat zit op het moment van slachten nog in het maagdarmkanaal. Bij KVV van spiervlees, bot en orgaan valt die tweede bron meestal weg, tenzij er pens in verwerkt zit, en blijft vooral het glycogeen over. Daarbij is het goed te weten dat het koolhydraatgehalte in dit soort analyses niet rechtstreeks wordt gemeten, maar wordt berekend als restpost, precies zoals in de rekenmethode hierboven. Alles wat niet als eiwit, vet, as of ruwe celstof is bepaald, komt in die post terecht, inclusief de meetonnauwkeurigheid van die vier bepalingen. Een waarde van 1 of 2 procent is dus een benadering, geen exacte meting. Zit er wél groente, fruit of een premix met dragerstof in de KVV, dan zijn de koolhydraten echt en liggen ze meetbaar hoger.

Is een calciumsupplement net zo goed als bot als calciumbron?
Niet helemaal gelijkwaardig. Bot levert calcium samen met fosfor en magnesium in de natuurlijke verhouding, terwijl een supplement calcium geïsoleerd toevoegt. De opneembaarheid verschilt bovendien per type supplement, en zonder voldoende vitamine D wordt calcium sowieso minder goed benut, ongeacht de bron.