Voeding van baardagamen
Baardagamen (Pogona spp.) zijn dagactieve, omnivore hagedissen. Ze eten zowel dierlijk als plantaardig voedsel, maar hun voedingsgedrag is veelzijdiger dan het beeld van een reptiel dat voornamelijk stilzit en bladeren eet. Baardagamen kunnen actief op zoek gaan naar prooien en jagen op insecten en andere kleine dieren. Afhankelijk van de omstandigheden kunnen ze ook kleine gewervelde dieren buitmaken.
Een actieve jager en opportunistische alleseter
In de natuur bestaat het dierlijke deel van het dieet vooral uit insecten en andere ongewervelden. Onderzoek naar vrijlevende (inland)baardagamen (Pogona vitticeps) laat zien dat zij verschillende groepen geleedpotigen eten en sterk inspelen op de beschikbaarheid van prooien. Ook plantaardig voedsel wordt gegeten, maar de verhouding tussen dierlijk en plantaardig materiaal kan variëren.
Baardagamen zijn opportunistische voedselzoekers. Ze benutten wat op dat moment beschikbaar is en binnen hun mogelijkheden valt. Naast insecten kunnen ze soms kleine gewervelde dieren eten, waaronder kleine hagedissen en zoogdieren. Een jonge muis kan bijvoorbeeld als prooi worden geaccepteerd. Zulke prooien zijn echter geen reden om gewervelde dieren standaard als onderdeel van het dieet aan te bieden: insecten en andere geschikte ongewervelden vormen een belangrijk onderdeel van de natuurlijke voedselkeuze.
Baardagamen kunnen ook kleinere soortgenoten aanvallen en opeten. Vooral wanneer dieren van verschillende grootte samen worden gehouden, bestaat het risico dat een kleiner dier wordt verwond of als prooi wordt gezien. Het samenhouden van baardagamen vraagt daarom om grote voorzichtigheid; een verschil in lichaamsgrootte kan leiden tot ernstig letsel of kannibalisme.
Voeding in gevangenschap
Bij het voeren van baardagamen moet rekening worden gehouden met zowel de behoefte aan dierlijk voedsel als die aan plantaardig materiaal. Geschikte insecten vormen een belangrijke bron van dierlijke voedingsstoffen. Daarnaast horen geschikte bladgroenten en andere passende plantaardige voedingsmiddelen bij een gevarieerd dieet.
De verhouding tussen dierlijk en plantaardig voedsel verandert tijdens de ontwikkeling en kan ook tussen individuele dieren verschillen. Jonge baardagamen hebben voor hun groei relatief veel dierlijk voedsel nodig. Bij volwassen dieren is het belangrijk dat plantaardig voedsel een volwaardig onderdeel van het dieet blijft en dat de totale energieopname niet te hoog wordt.
Een gevarieerd aanbod van geschikte insectensoorten helpt voorkomen dat de voeding onnodig eenzijdig wordt. Niet iedere insectensoort heeft dezelfde voedingswaarde. Ook de voeding waarmee voederinsecten vooraf worden gevoed, beïnvloedt hun voedingskundige waarde. Variatie alleen garandeert daarom geen uitgebalanceerd dieet.
Niet alle planten zijn geschikt als voedsel voor baardagamen. Sommige planten zijn giftig, terwijl andere door hun samenstelling ongeschikt zijn om regelmatig te voeren. Avocado en rabarber moeten worden vermeden. Spinazie en snijbiet bevatten veel oxalaten en zijn daarom geen geschikte basis voor het plantaardige deel van het dieet. Voer alleen planten waarvan de soort met zekerheid bekend is en die geschikt zijn voor baardagamen. Gebruik geen planten die mogelijk met bestrijdingsmiddelen zijn behandeld.
Calcium en UVB-verlichting
Een goede calciumvoorziening en voldoende UVB-straling zijn essentieel voor een gezonde botontwikkeling. UVB helpt de baardagaam vitamine D₃ aan te maken, dat nodig is voor de opname en verwerking van calcium. Een tekort aan calcium, onvoldoende UVB of een ongunstige verhouding tussen calcium en fosfor kan leiden tot metabole botziekte.
De voeding en de verlichting moeten daarom als één geheel worden bekeken. Alleen calcium toevoegen is geen vervanging voor geschikte UVB-verlichting, en goede verlichting maakt een ongeschikt dieet niet automatisch volwaardig.
Hoeveelheid en lichaamsconditie
Baardagamen kunnen in gevangenschap overgewicht ontwikkelen wanneer ze te veel voedsel krijgen of wanneer het dieet onvoldoende is afgestemd op hun leeftijd en activiteit. Een dier dat graag eet, heeft niet automatisch meer voedsel nodig.
Stem de hoeveelheid en voederfrequentie af op de levensfase, groei en lichaamsconditie. Vooral bij volwassen dieren is het belangrijk om overmatige vetopslag te voorkomen. Volg de lichaamsvorm en het gewicht over langere tijd en pas het dieet zo nodig aan.
Het doel is niet om een baardagaam zo snel mogelijk te laten groeien of zo veel mogelijk te laten eten, maar om een gezonde ontwikkeling en een passende lichaamsconditie te ondersteunen.